|
Gebaseerd op de soera’s
Joenoes (10:98-100), Al Anbija (21:87-88), As-Safaat (37:139-148) en Al
Kalam (68:48-50)
En
de heer van de vis, toen hij boos wegging en dacht dat Wij hem niet zouden
tegenhouden. En Jonas behoorde zeker tot Gods
boodschappers. Hij liep weg naar het schip omdat hij bang was voor de
slechtheid van zijn volk. Toen het schip bijna verging, lootte hij met de
mensen die op het schip waren, en hij was een van degenen die eruit werd
gegooid. Toen nam de vis hem in zijn bek, zolang hij niet wilde doen wat God
hem had opgedragen. Was hij niet iemand die Ons prees, dan was hij tot zijn
dood in de buik van de vis gebleven. Maar toen hij in moeilijkheden zat riep
hij: Er is geen god behalve U, geprezen zij Uw naam! Waarlijk, ik hoor bij
de mensen die onrecht doen. Toen antwoordden Wij hem en Wij bevrijdden hem.
Wij gooiden hem op de barre kust en hij was ziek. Daarom lieten Wij een
pompoenplant over hem heen groeien, zodat hij beter werd. Zo helpen Wij
degenen die geloven. Toen stuurden Wij hem naar zijn volk van honderdduizend
mensen of meer. En zij geloofden hem. Daarom lieten Wij hen van onze gaven
genieten tot een bepaalde tijd.
Had God het gewild, dan
waren alle mensen gelovig geworden. Wil jij, Mohammed, ze soms dwingen om te
geloven? Niemand zal zonder toestemming van God kunnen geloven. En degenen
die niet willen begrijpen zullen gestraft worden.
Dus wacht geduldig op het
oordeel van je Heer en wees niet als de vriend van de vis, die riep toen hij
in nood was. Had hij geen gunst van zijn Heer gekregen, dan zou hij zeker
eenzaam en verlaten op het strand zijn gegooid. Maar de Heer maakte hem tot
iemand die goed doet.
|