ISLAMITISCHE FEESTDAGEN

HET OFFERFEEST

TERUG



Het offerfeest is een herinnering aan het Bijbelse verhaal over de profeet Ibrahiem, die in een droom de opdracht kreeg zijn eerstgeboren zoon te offeren. Over wie die eerstgeborene was verschillen moslims van mening met joden en christenen. Wij gaan ervan uit dat het om Ismaël gaat, de zoon die Abraham verwekte bij zijn slavin Hagar (Hadjar) toen Sarah kinderloos bleef. De Koran laat dat offer in Mina plaatsvinden, een dorp op twee uur lopen van Mekka. Op het laatste moment verhinderde God dat Abraham zijn zoon werkelijk doodde en stelde een ram voor Ismaël in de plaats.

Het offerfeest vormt eigenlijk de afsluiting van de bedevaart die door iedere gezonde en voldoende draagkrachtige moslim gemaakt moet worden. Die bedevaart vindt plaats in de tweede week van de twaalfde maand van de islamitische kalender en staat helemaal in het teken van Abraham, Hagar en Ismaël. De rituelen gaan deels terug op voorislamitische gebruiken. De belangrijkste zijn het dragen van speciale witte kleding, het omcirkelen van de ka'ba, het huis van God dat door Abraham en Ismaël werd gebouwd, contemplatie gedurende een middag op de vlakte van Arafa buiten Mekka, het symbolisch stenigen van de duivel ter herinnering aan het feit dat deze Abraham tot driemaal toe in verzoeking bracht en ten slotte het offeren van de meegebrachte of ter plekke gekochte offerdieren. Ter afsluiting wordt (een deel van) het hoofdhaar afgeschoren.

Voor degenen die de bedevaart niet maken is het de tiende, elfde en twaalfde van de bedevaartmaand (zoel hidja) offerfeest. In islamitische landen van Afrika tot Indonesië worden dan massaal offerdieren geslacht (variërend van geiten tot kamelen), vaak op straat, wat nogal bloederige taferelen kan opleveren. Tweederde van het vlees wordt aan behoeftigen en vrienden uitgedeeld. Steeds meer moslims in Nederland kiezen ervoor om geld naar familie in hun land van herkomst of aan liefdadigheidsorganisaties over te maken, die voor de gelegenheid vlees of voedselpakketten verstrekken aan mensen die onder het bestaansminimum leven.

De dag begint met het normale gebed voor zonsopkomst. Het ontbijt wordt overgeslagen en in de loop van de ochtend gaat men naar de moskee. Daarbij wordt luidkeels geroepen: God is groot, God is groot, God is groot en geprezen is Hij. Meestal verzamelt men zich in en om de centrale moskee of op een centraal gelegen plein voor het speciale feestgebed dat gevolgd wordt door een preek waarin de offerbereidheid van Abraham ten voorbeeld wordt gesteld. De rest van de dag en de twee volgende dagen staan in het teken van familiebezoek. Het doet wel wat aan kerstmis denken, maar eigenlijk is het een feest van moed en vertrouwen. Het offer van Abraham en het weerstaan van de duivel vereiste moed en een grenzeloos vertrouwen in God. In een lied dat op de Sekemschool in Egypte gezongen wordt, is het zo verwoord:

no nameGod, naar U, mijn God, richt ik mij.
U vertrouw ik, op U bouw ik.
U vertrouw ik mijn voelen en mijn handelen toe.
Stenen werpen wij in des duivels aangezicht.
Geef mij en mijn hart kracht.
Uw weg ga ik en met Uw hulp overwin ik.
Verheugd, verheugd over Uw goedheid ben ik, verheugd!


Afgelopen jaar (2008) hebben wij met een paar Nederlandse moslimgezinnen geprobeerd een eigen invulling aan het feest te geven door gezellig bij elkaar te komen en met de kinderen een bedevaartspel te spelen. In het midden bouwden wij een kaba van een tafeltje met een zwart kleed en een gouden deur die door een van de kinderen getekend was. De kinderen hulden zich in de doeken die ik zelf bij de bedevaart gebruikte en ik las de tekst voor terwijl de kinderen naar Mekka reisden en de beschreven handelingen uitbeeldden. Het omdoen van de doeken leidde tot het nodige gegiechel, maar vooral het stenigen van de duivel en het slachten van de denkbeeldige schaapjes werd met groot enthousiasme begroet.

Muhammad Yahya © 2009