|
MUHAMMAD |
![]() |
|
MOHAMMED WAS GEEN FUNDAMENTALIST |
|
|
Door Abdulwahid
van Bommel
Wanneer het over de levensgeschiedenis van de profeet Mohammed gaat, dienen we ons bewust te zijn van het feit dat hij aan zowel moslims als niet-moslims een opdracht heeft nagelaten. Die opdracht luidt niet: 'verheerlijk mijn leven en maak er een heiligenicoon van'; maar begrijp mijn leven en vertaal het naar je eigen levenssituatie! Bij alles wat we over Mohammed denken en zeggen dienen we ons af te vragen: in hoeverre is dit relevant voor een sociaal rechtvaardige situatie van moslims in deze wereld, in hoeverre vertaal ik de Sierat an-Nabi, het levensverhaal van Mohammed naar mijn eigen houding tot anders denkenden en anders gelovigen in hoeverre praktiseer ik de soenna als die stopt bij een baard, een djilaba en een miswak? De koran projecteert inderdaad de drie belangrijkste boodschappen van de islam in zijn profeet:
De profeet Mohammed wordt zelf door God aan zijn eigen oorspronkelijke status herinnerd: "Vond Hij u niet als wees en beschermde u? En vond Hij u niet zoekende en leidde u? En vond Hij u niet in armoede en verrijkte u? Daarom: doe de wees geen onrecht aan! En snauw de bedelaar niet af! Maar verkondig de gunst van uw Heer!" (Q 93:6-11) De God die moslims aanbidden is dezelfde God die ons voortdurend aanmoedigt kennis te vergaren. De eerste vijf verzen die van de koran zijn geopenbaard gaan bijna alleen over activiteiten die daarmee te maken hebben. "Lees, in de naam van uw Heer Die schiep; Hij schiep de mens uit een klontertje (bloed); Lees! En uw Heer is de meest eerbiedwaardige; Die de mens met een pen heeft leren schrijven; de mens geleerd heeft wat hij niet wist". (96:1-5) "Lees en schrijf" is dus de allereerste boodschap van de islam en niet: ga bidden en sluit je van de wereld af! Hiermee en met veel andere verzen vormde de islam een stuwkracht voor wetenschap. Religieuze verscheidenheid wordt door de islam gezien als iets natuurlijks, samenhangend met de vrije wil en dus de mogelijkheid van de mens om te kiezen. God had alle mensen het volgen van één waarheid als een natuurwet kunnen opleggen, maar heeft dat niet gedaan: En indien Allah had gewild zou Hij u allen tot één volk hebben gemaakt, maar Hij wenst u op de proef te stellen met hetgeen Hij u heeft gegeven (5:48). Als God in Zijn alomvattende wijsheid de mensheid niet gedwongen heeft tot één bepaald principe, zouden wij het als mensen dan onderling moeten doen? Ook hierop antwoordt de koran: Er is geen dwang in religie. Het juiste pad is zeker van dwaling onderscheiden (2:256). Geloof heeft binnen de islam pas waarde indien de overtuiging diep in de individuele mensenziel wortelt. Het kan op geen enkele manier aan iemand worden opgelegd, waarmee tevens wordt aangegeven dat we een ander met zijn andere geloof of ongeloof dienen te respecteren. In de koran wordt tegen Mohammed gezegd: Nee! Je kunt niet leiden wie je lief hebt, maar God leidt wie Hij wil (28:56). De koran moedigt ook niét aan het zwaard op te pakken om andersgelovigen te bestrijden, maar juist om de vrijheid van godsdienst te verdedigen: En indien Allah sommige mensen niet door middel van anderen tegenhield, zouden ongetwijfeld kloosters, kerken, synagogen en moskeeën, waarin dikwijls Gods naam wordt herdacht, zijn afgebroken(...) (22:39-41). Hier demonstreert de koran essentiële tolerantie. Wanneer het mogelijk is in kloosters, kerken, synagogen en moskeeën de naam van God te herdenken, dan hebben we het over één en dezelfde God en dat is meer dan de aanhangers van andere religies soms tegen moslims zeggen. Tevens wordt hier een opdracht naar de moslims geformuleerd om gebouwen waarin God wordt herdacht te beschermen tegen agressie. In de islam is ook de ongelovige niet bij voorbaat veroordeeld als vijand of voorwerp van goddelijke verdoemenis. De niet-gelovige wordt gewaardeerd als Gods schepsel, begiftigd vanaf zijn/haar geboorte met de natuurlijke religie (dîn al-fitrah), waarvan de historische openbaring identiek is met die van de islam. Als het een jood of christen betreft, is hij of zij eigenaar van dezelfde openbaringstraditie als de moslims. Op dit punt stelt de koran andersdenkenden gerust: Voorzeker de gelovigen, de Joden, de Christenen en de Sabianen en wie van hen in Allah en de Laatste Dag geloven en goede werken verrichten, zullen hun verdienste bij hun Schepper hebben en er zal geen vrees over hen komen, noch zullen zij treuren (2:62). Het is een moslim niet toegestaan neerbuigend te spreken over de religie van andersdenkenden en hetgeen zij aanbidden: En scheldt niet op degenen tot wie zij buiten God smeken, anders zullen zij uit wrok en onwetendheid God uitschelden(...) 6:108). De vorm kan verschillen maar de aanvaardbaarheid van de inhoud bepaalt God Alleen: Zij zijn niet allen gelijk. Onder de mensen van het Boek (joden en christenen) is een oprechte gemeenschap, die Gods woord lezen in de stille uren van de nacht en zich voor hun Schepper ter aarde werpen (3:113). Het hiernamaals is niet ingericht naar uw wensen, noch naar de wensen van de mensen van het boek. Wie kwaad doet zal ervoor gestraft worden en hij zal buiten God vriend noch helper vinden (4:123). betekent ook dat aanhangers van andere religies oprechte gelovigen kunnen zijn. Tolerantie in de pluriforme samenleving van Medina Dertien jaar nadat de profeet Mohammed (vzmh) met zijn taak begon, was in Mekka het geestelijk klimaat wel veranderd, maar de grote doorbraak bleef uit. In feite werden hij en zijn volgelingen vervolgd om zijn ideeën en verschillende stamhoofden spanden samen om hem uit de weg te ruimen. De profeet stuurde eerst zijn mensen naar Yathrib en hij vertrok zelf als een der laatsten. Vanaf het moment dat hij arriveerde was het zijn taak de verschillende Arabische en Joodse stammen en de nieuwkomers, de emigranten uit Mekka, tot één gemeenschap, een oemmah, te vormen. Opvallend is dat hij daarbij vanuit religieus standpunt niemand buitensloot. Joden, heidenen en moslims werden allen genoemd in het document dat hij liet opstellen om het 'verdrag van Medina' zoals het later werd genoemd, te bekrachtigen. Van de niet-gelovigen werd niet gevraagd de islam te aanvaarden. De stammen behielden hun autonomie op het punt van hun eigen gebruiken, maar wanneer de gemeenschap in zijn geheel werd aangevallen was iedereen verantwoordelijk voor de veiligheid van elk individu. De voornaamste punten uit dit verdrag luiden:
Het was in dezelfde geest dat Omar ibn al-Chattâb, de tweede kalief van de islam jaren later zijn verdrag met de stad Jeruzalem sloot. Hierin staat onder andere: "In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. Dit verdrag geldt voor alle christelijke onderdanen, priesters, monniken en nonnen. Het garandeert hun veiligheid en bescherming, waar zij zich ook bevinden. Wij zijn als kalief verplicht onszelf en onze volgelingen en onze christelijke onderdanen die hun verplichtingen nakomen, te beschermen. Passende bescherming wordt geboden voor hun kerken, hun huizen en hun bedevaartsoorden. Net als aan de bedevaartgangers, de Georgiërs, de Abessijnen, Jakobieten, Nestorianen en al degenen die de Profeet Jezus erkennen." Een derde voorbeeld is het verdrag dat de profeet Mohammed aanging met de christelijke bewoners van Nadjrân, waarvan hij een delegatie in zijn eigen moskee had ontvangen, waar zij hun erediensten mochten houden. Ook aarzelde de profeet niet om diepgaande godsdienstgesprekken te houden met deze delegatie. Na afloop van dit gesprek heeft de profeet hen uitgenodigd voor een moebahala, een godsoordeel dat zich zou uiten in een teken van God over de juistheid van geloof van een van beide partijen. Toen de christenen na een nacht van overleg en gebed hierop niet wilden ingaan, met de woorden, Wij denken dat het beter is om elkaar niet te schande te zetten, heeft de profeet dit geaccepteerd en liet de delegatie vervolgens ongemoeid vertrekken. Dus er was geen spraak van bekeringspogingen ten opzichte van anders gelovigen. Daarna sloot de profeet een verdrag met de christenen van Nadjrân en dat garandeerde godsdienstvrijheid voor de gehele bevolking van Nadjran onder bescherming van God en Zijn profeet. Deze drie voorbeelden bevatten belangrijke richtlijnen voor in dit deel van de wereld te voeren overleg tussen belijders van alle wereldreligies en anders denkenden. De ontmoeting vandaag dienen we in overeenstemming te brengen met de goede ontmoetingen die in het verleden hebben plaatsgevonden en vormen hopelijk een signaal voor toekomstige ontwikkelingen. |
|
Abdulwahid van Bommel © 2002